Woorden- en namenlijst


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z Klik op de gewenste letter.

A

Absis, apsis
De apsis of absis dan wel abside, is een halfronde, of veelhoekige, nisvormige ruimte aan een kerk of kathedraal. Deze ruimte gold in eerste instantie als zetel van de bisschop en priesters. Later is de apsis gaan gelden als afsluiting van het koor, nadat de ruimte groter gewenst was omdat de priesters en monniken zich naast het altaar opstelden om te zingen. (Bron: Wikipedia)

Affuit
Een affuit is een onderstel voor een zwaar vuurwapen, zoals een kanon.

Alliantiewapen
(Heraldiek) Huwelijkswapen, waarin het wapen van de man en dat van de vrouw verenigd zijn onder het helmteken van de man.

Allodiaal goed
Vrij, eigen goed, waarover de landsheer geen zeggenschap had.

Ambacht
Machtsgebied met lagere rechtspraak, onder het gezag van een schout, baljuw of drost. West-Friesland was bestuurlijk opgedeeld in vier ambachten: Geestmannerambacht (west), Nieuwdorperambacht (midden en zuid), Hoogwouderambacht (noord-oost) en Drechtingerambacht (zuidoost). Van oorsprong waren deze ambachten, voordat de graaf van Holland, heer over het gebied was, bestuurlijke eenheden van de vrije West-Friezen.

Ansfried
Ansfried (?-1010) was graaf en bisschop van Utrecht. Hij verkreeg uit hoofde van de laatste functie allerlei privileges van de Duitse keizers. Ansfried is ook bekend als Heilige. Hij was erbij toen Otto I in 962 in Rome (tot Rooms koning) werd gekroond. In 995 werd hij door Otto III tot bisschop benoemd.

Arcade
Boog of een reeks van bogen, rustend op twee kolommen.

Arkeltoren
Hangtorentje op de hoek van een gevel, gebruikt als spie- of flankeringstorentje. Latere toepassing als versiering.

B

Baanderheer
Edele met het recht om zijn welgeboren mannen, onder zijn eigen banier voor de strijd te mobiliseren.

Baljuw
Ambtenaar die de (lands)heer vertegenwoordigde in steden en heerlijkheden. Deze functie bestond vanaf de 12de tot en met de 18de eeuw in Vlaanderen, Holland, Zeeland, Henegouwen en Noord-Frankrijk. Tijdens de middeleeuwen was de baljuw de belangrijkste vertegenwoordiger van de graaf en had de bevoegdheid om vonnis te spreken over het halsrecht; desnoods de doodstraf. De schout en schepenen stonden een trap lager in de hierarchische justitiele orde. Het baljuwschap was de jurisdictie van de baljuw. Na de verovering van West-Friesland door de Hollanders, werden er twee baljuwschappen ingesteld: het Westerbaljuwschap (Niedorper en Geestmannerambacht) en het Oosterbaljuwschap (Hoogwouder- en Drechtingerambacht)

Beeldenstorm
Volksopstand in 1566, dat werd gevoed vanuit godsdienstige, politieke en sociale ontevredenheid. In veel kerken en kloosters werden beelden van heiligen en andere vereringsvoorwerpen, zoals kunstvoorwerpen, vernield.

Beka, Johannis de
Johannis (Johannes) de Beka (ca. 1350) was een middeleeuwse kroniekschrijver. Hij is bekend om zijn Chronicon auctius, waarin hij de geschiedenis, tot 1346, van de Utrechtse bisschoppen en het Hollandse gravenhuis beschrijft.

Boheems gewelf
Bolvormig gewelf, dat over een vierkant of een veelhoek is geconstrueerd.

Boogfries
Reeks van ronde (rondboogfries) of in een punt eindigende boogjes (spitsboogfries) op kraagstenen, meestal als versiering onder een kroonlijst. Zie ook Fries.

Borstwering
Verhoogd gedeelte van een muur, waarachter de verdedigers zich konden verschansen. Zie ook: kanteel.

Bouwhuis
Bijgebouw van een adelijke woning (b.v. koetshuis, dienstwoning of stal)

Brandschatting
Schatting (belasting), die met dwang werd opgelegd onder dreiging van brandstichting.

Bunder
Oude, sinds 1820 in Nederland toegepaste metrische oppervlaktemaat. De bunder wordt nog steeds als praktische oppervlakte-eenheid gebruikt. De metrische onderverdeling is:

Kadastrale oppervlaktematen worden als volgt weergegeven: aantal bunder : aantal roeden : aantal el. Bijvoorbeeld: 3:25:32, is een stuk grond van 3 bunder, 25 roeden en 32 el, dat neerkomt op 30000+2500+32 m2= 32532 m2.

C

Cijns
Belasting, heffing, schatting.

Classicisme
Navolging van kunststijlen van de Griekse of Romeinse oudheid. B.v. in de architectuur.

Courtine
Letterlijk: 'gordijn'. Tussen twee waltorens of bolwerken gelegen stuk muur met weergang en borstwering.

D

Dijkgraaf
Hoofd van een waterschap. Tegenwoordig: voorzitter van een dijk- of waterschapsbestuur.

Donjon
Woontoren of hoofdtoren van een middeleeuws kasteel. Deze toren heeft dikke muren en diende als laatste toevluchtsoord bij een belegering.

Drost
Ambtenaar (vanaf de 13de eeuw) die was belast met de toezicht op de justitie en het indammen van misdrijven, die niet onder de gewone rechtspraak vielen.

Duivengaten
Openingen in een muur waardoor de duiven naar binnen konden vliegen.

Duivenslag
Inrichting waardoor duiven vrij hun hok kunnen ingaan, maar er niet zelf uit kunnen komen.

Dwingel
Toegangsweg tot een kasteel, die door muren is begrensd en om het kasteel loopt.

E

Eikelenberg, Simon
18e eeuwse Alkmaarse geschiedschrijver.

El (vierkante Nederlandse el)
De vierkante Nederlandse el is een, sinds 1820 in Nederland toegepaste, metrische oppervlaktemaat. De metrische onderverdeling is:

Kadastrale oppervlaktematen worden als volgt weergegeven: aantal bunder : aantal roeden : aantal el. Bijvoorbeeld: 3:25:32, is een stuk grond van 3 bunder, 25 roeden en 32 el, dat neerkomt op 30000+2500+32 m2= 32532 m2.
De bunder wordt nog steeds als praktische oppervlakte-eenheid gebruikt.

F

Feodaal goed
Goed in leenverband. Leen of leengoed. Een stuk land of een kasteel, door de landsheer tegen bepaalde voorwaarden aan zijn leenman opgedragen. Zie Leenstelsel.

Fries
(Architectonisch) Een horizontale band met metselwerk of moza´ek e.d. om een muurvlak aan de bovenzijde te begrenzen of om in te delen.

Fronton
De fronton is een bekroning van een gevel, venster of ingang in driehoeks- of segmentvorm.

G

Gemak
Ook wel 'privaat' of 'stilletje': een wc

Geveltop
De top van een puntgevel.

Gordelboog
Een gordelboog is een boog tussen twee gewelfvlakken in, en staat loodrecht op de muren waartussen het gewelf is gespannen.

Gotiek
Gotische bouwkunst. Een spitsboogstijl die gedurende de 12e eeuw in Frankrijk is ontstaan.

Graatgewelf
Een kruisgewelf, dat ontstaat als twee tongewelven (halfcilindrische gewelven) elkaar loodrecht kruisen. De snijvlakken worden graten genoemd.

Gulden Vlies, Orde van het
Ridderorde welke in 1430 door Filips de Goede (van Bourgondië) is ingesteld vanwege zijn huwelijk met Isabella van Portugal.

H

Hartschild
(Heraldiek). Een schildje in het midden van een wapenschild.

Heemraad
Het college van raadslieden van de dijkgraaf en vertegenwoordigers van de ingelanden (de inwoners van een waterschap). Tegenwoordig: leden van een Nederlandse dijk- of polderbestuur.

Heer
Gezaghebbende over een heerlijkheid.

Heerlijkheid
Een middeleeuwse benaming voor een overheidsgezag. Ook de benaming van het gebied waarover het gezag betrekking had. Letterlijk: gebied van een heer.

Heerban
Het recht van de heer om zijn vrije mannen op te roepen voor de heervaart. Zie ook: Heervaartplicht

Heerschaar
Middeleeuws strijdleger.

Heervaart
Krijgstocht waartoe men door de heer kon worden opgeroepen.

Heervaartplicht
De plicht om te dienen in een krijgstocht. In de middeleeuwse boerenvrijstaat West-Friesland, was de heervaartplicht (hoewel het begrip 'heer', omdat daar geen adel was, niet in deze samenleving bestond) een vast gegeven. Oude Friese rechtsbronnen spreken van dienstplicht voor iedere man vanaf twaalf jaar die viel onder de oude Friese wetgeving. In het Oude (Friese) Schoutenrecht (▒1100) werd bepaald dat boeren dienstplichtig waren.

Heilige Roomse Rijk
Een politiek samenstel van landen in West- en Centraal-Europa, dat in 962 uit het oostelijke gedeelte van het Frankische Rijk (Verdrag van Verdun, 843), is opgericht. Het Rijk bestond als centraal-Europese mogendheid, waarvan ook de 'nederlanden' deel uit maakten. Het heeft zo'n 844 jaar standgehouden totdat het in 1806 werd opgeheven. In de 15e eeuw werd de naam veranderd in 'Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie' (Sacrum Romanum Imperium Nationis Germanicae) of 'Rooms-Duitse Rijk'. Het Rijk werd 'Rooms' genoemd, omdat het als voortzetting van het klassieke 'Romeinse Rijk' werd gezien.

Helmteken
(Heraldiek) Het teken op een strijdhelm, waaraan de geharnaste ridder, naast zijn schild, te herkennen was.

Heraldiek
Wapenkunde. De kennis van het beschrijven van geslachtswapens. In de middeleeuwen werd het wapen gedragen op het schild, de helm en het dekkleed voor het paard (of andere herkenbare plaatsen). Hierdoor was de herkenbaarheid gewaarborgd. De gebruikte wapenkleuren zijn: keel (rood), goud=or (goud of geel), zilver=argent (zilver of wit), azuur (blauw), sinopel (groen), sabel (zwart), purper (paars), oranje (oranje) en bruin (bruin). Het woord 'heraldiek' is van 'heraut' afgeleid.

Heraut
Deskundige boodschapper en afroeper namens zijn heer. Vanaf de 12e eeuw had de heraut diverse functies:

Hof van Holland
Een raad die belast was met de rechtspraak in Holland, Zeeland en West-Friesland. In 1428 door Filips de Goede (van Bourgondië) en Jacoba van Beieren opgericht.

Hont
Oude oppervlaktemaat, waarvan de grootte in verschillende streken nogal uiteenloopt.
1 Rijnlandse morgen = 600 Rijnlandse roeden = 0,8516 ha (8516 m2)
1 Hont is 100 Rijnlandse Roede = 1419 m2
1 Rijnlandse roede = 14,193 m2
De Rijnlandse morgen ca. 4/5 hectare, was in Holland de 'standaard'-maat.
Meer:

I

Ingelanden
De inwoners die eigendommen (land) hebben binnen een waterschapsgebied.

Ius abutendi
Latijnse uitdrukking voor het vruchtgebruik van de opbrengst van grond of visserij. Zie ook: Leenstelsel.

J

Jaarbede
Een soort grondbelasting, die jaarlijks door de niet-edele huislieden moest worden opgebracht. Vergelijk: Schot

K

Kanteel
Tanding van een borstwering boven aan torens en langs muren (weergangen). De openingen tussen de kantelen heten moordgaten. Na de 15e eeuw was de toepassing van kantelen slechts decoratief.

Kapittel
Adviescollege van de bisschop.

Kastelein
Slotvoogd, degene die het beheer over een kasteel had. Vaak was dat een gezagsdrager, bijv. baljuw, schout of dijkgraaf. Ook: slotbewaarder bij afwezigheid van de kasteelheer.

Kemenade
Kamer of zaal waarin een groot deel van het jaar gestookt werd. Ook: woonvertrek van een middeleeuwese burchtvrouwe.

Keur
Een door landheer gegeven statuut (bepaling), waarbij plaatselijke voorrechten of vrijdommen worden gegeven. Bijvoorbeeld: stadsrechten.

Klokkenstoel
Stellage van balken waarin klokken worden opgehangen.

Kloostermop
Baksteen die met name in kloosters uit klei werd vervaardigd. De afmetingen van een kloostermop zijn typisch en bedragen: 30 x 15 x 7-8 cm. De vervaardiging van dit soort bakstenen is aan het einde van de twaalde eeuw in de kuststreken tot ontwikkeling gekomen en werd veelvuldig toegepast bij de bouw van kastelen.

Koepelgewelf
Bolvormig gewelf op een cirkelvormig of veelhoekig grondplan.

Kraagsteen
Vooruitspringende steen in een muur. Deze dient om een boog, een gewelfrib of het einde van een balk te dragen.

Kroonlijst
Uitstekende of uitspringende lijst van een dakrand.

Kruiskozijn
Vensterkozijn dat door een midden- en tussendorpel in vieren wordt verdeeld.

Kruisribgewelf
Gewelf op een vierkant grondplan, waarvan de kappen steunen op elkaar kruisende of in een middensluitsteen samenkomende ribben.

L

Lantaarn
Al dan niet van glas voorziene, bekroning op een grote koepel.

Latei
In het algemeen een stenen balk die een deur, venster of andere opening in de muur overspant en daarmee het muurwerk draagt.

Leen, leengoed, leenbezit
Een onderpand, dat door de landsheer (leenheer) onder bepaalde voorwaarden (trouw en diensten) aan zijn leenman is opgedragen. Het onderpand kon een stuk land(goed) zijn, evt. met de opbrengst van landbouw of visserij, of een bouwobject (b.v. kasteel of versterkt huis),

Leenhof
Zie: leenkamer.

Leenkamer, Leen- en Registerkamer
Een leenkamer (leenhof) was het gerechtshof voor leenzaken. Naast de de grafelijke leenkamer (Leen- en Registerkamer van Holland), bestond ook een leenkamer van adelijke huizen. Zo was aan een kasteel meestal een leenkamer verbonden. Van diverse leenkamers, waaronder de Leen- en Registerkamer van Holland (1350-1580), bestaan de stukken nog, waarin grafelijke leen en leentransporten zijn beschreven. Deze bevinden zich in het Nationaal Archief in Den Haag (voorheen Algemeen Rijksarchief, ARA).

Leenstelsel
Een maatschappelijk stelsel in de middeleeuwen, dat ook wel feodalisme genoemd. Hierin wordt de verhouding bepaald tussen een machtig en een minder machtig persoon. De machtigste persoon verlangde trouw en steun voor bepaalde diensten, waaronder militaire verplichtingen. Hiervoor kreeg de andere partij een onderpand in bezit (bijv. heerlijkheid, onroerende goederen en opbrengsten van landbouw en visserij). Zo'n onderpand heette dan leen, leengoed of leenbezit. Degene die de leen gaf werd de leenheer genoemd en degene die de leen ontving was de leenman. Zo'n leen kon verschillend van aard zijn. Meestal was het grondbezit of bezit van een kasteel. Maar het kon ook een recht zijn (b.v. inning van cijns of tol) of een ambt (b.v. de ambt van schout of baljuw). Ook waren leenmannen graag geziene gasten bij feesten aan het hof. Zo kon een graaf bijvoorbeeld pronken met zijn rijke achterban.

Leentransport
Overdracht van leen of leenbezit.

Lessenaarsdak
Een hellend dak, dat doet denken aan een schuine lessenaar.

M

Maaiveld
De bovenkant van het terrein, waarop een gebouw of bouwobject (bijv. een kasteel) is opgetrokken.

Mansardedak
Een dak met geknikte vlakken, waarvan het onderste deel steiler is.

Mezenkouwen, mâchicouli, mezenkooi
Gaten waar doorheen men kokende olie en stenen kon gooien om aanvallers uit te schakelen.

Moordgat
Zie Kanteel

Morgen
Oude oppervlaktemaat, waarvan de grootte in verschillende streken nogal uiteenloopt. Feitelijk, zoveel land als in een morgen geploegd kon worden. In Utrecht 6/7 hectare. De Rijnlandse morgen ca. 4/5 hectare, was in Holland de 'standaard'-maat.
1 Rijnlandse morgen = 600 Rijnlandse roeden = 0,8516 ha (8516 m2)
1 Hont is 100 Rijnlandse Roede = 1419 m2
1 Rijnlandse roede = 14,193 m2
Meer:

Motte
Kustmatige heuvel waarop een versterking werd aangelegd..

Mottekasteel
Versterking of kasteel op een kustmatige heuvel (motte).

Muizentanden
Onder een overstekende laag metselwerk, een rij met de punt uitstekende stenen (onder een schuine hoek), dat als versiering in een muur is aangebracht. Wanneer de muizentanden onderdeel zijn van een fries, spreken we van een zaagtandfries.

Muraalboog
Boog die evenwijdig loopt met de muur ter ondersteuning van het gewelf.

N

Neerhuis
Afzonderlijk gebouw bij een kasteel of buitenplaats, zoals een stal, koetshuis of tuinmanshuis.

Neogotiek
Bouwstijl uit de 19e eeuw, geïnspireerd op de gotiek uit de middeleeuwen. De neogotiek leidde tot een vrije toepassing van de middeleeuwse bouwbeginselen in de bouwkunst.

O

Otto
De naam van een reeks Duitse keizers die regeerden vanaf 936-1218:
Otto I, Otto de Grote, 912-973 (Duits koning van 936-973. Rooms koning van 962-973). Zoon van Hendrik I.
Otto II, 955-983 (keizer van 973-983). Zoon van Otto I.
Otto III, 980-1002 (keizer van 983-1002). Zoon van Otto II.
Otto IV, Otto van Brunswijk, ca. 1174-1218 (Rooms-Duitse koning van 1198-1218, keizer van 1209-1218). Zoon van Hendrik, hertog van Saksen.

P

Palts
Paleis van een middeleeuwse vorst.

Pinakel
Siertorentje in de gotische bouwkunst.

Poorters
Inwoner van een stad. Hieraan was een bepaalde status betrokken: het poorterschap. Deze status verkreeg men als kind van een poorter, huwelijk met een poorter of als men als poorter werd aangenomen. Letterlijk betekent poorter dat de persoon binnen de stadspoorten woont. Tegenwoordig gebruikt men nog steeds de het woord "buitenpoorter": iemand van buiten die in de stad is komen wonen.

Privaat
Ook wel een 'gemak' of 'stilletje': een WC.

Privilege
Een bijzonder recht of vrijheid, welke door de landsheer aan zijn leenmannen, steden etc. verleend werd.

Q

R

Radboud
Ook wel Radbod (Fr. Redbad, Lat. Radbodus). Koning der Friezen van (648-719). Na de dood van zijn vader Aldgillis rond 679 kwam hij aan de macht. Na aanvankelijke nederlagen tegen de Franken wist hij in de laatste jaren van zijn leven het Friese rijk uit te breiden.

Rekenkamer
College dat belast is met het toezicht op de inkomsten en uitgaven van de staat. Dit college is ontstaan in Frankrijk onder Philips IV (de Schone). Naar dit Franse voorbeeld werden, onder de Bourgondische hertogen, de rekenkamers ook ingevoerd in de Nederlandse gewesten.

Rentmeester
Beheerder van geld en goederen.

Ridderhofstad
Specifiek voor Utrecht: Riddermatige versterkte stenen woning net erf, die is opgenomen in de lijst van ridderhofsteden.

Riddermatig
Tot de adelstand behorend en voor bijzondere verdiensten, bijvoorbeeld in de strijd, tot ridder geslagen kon worden.

Riesaliet
Over de volle hoogte uitspringende gedeelte van de gevel.

Roede
Oude oppervlaktemaat, waarvan de grootte in verschillende streken nogal uiteenloopt.
1 Rijnlandse roede = 14,193 m2
1 Hont is 100 Rijnlandse Roede = 1419,3 m2
1 Rijnlandse morgen = 600 Rijnlandse roeden = 0,8516 ha (8516 m2)
De Rijnlandse morgen fungeerde in Holland als 'standaard'-maat.
Meer:

Roede (vierkante Nederlandse roede)
Niet verwarren met de Rijnlandse roede. De vierkante Nederlandse roede is een, sinds 1820 in Nederland toegepaste, metrische oppervlaktemaat. De metrische onderverdeling is:

Kadastrale oppervlaktematen worden als volgt weergegeven: aantal bunder : aantal roeden : aantal el. Bijvoorbeeld: 3:25:32, is een stuk grond van 3 bunder, 25 roeden en 32 el, dat neerkomt op 30000+2500+32 m2= 32532 m2.
De bunder wordt nog steeds als praktische oppervlakte-eenheid gebruikt.

Roomskoning
De titel van een gekozen koning in het Rooms-Duitse rijk (1125-1508), die nog niet door de paus tot keizer was gekroond. Een keizer in spé dus.

S

Schepen
Rechterlijke functionaris in de steden en het platteland. (Meervoud: schepenen)

Schilddak
Dak dat wordt gevormd door twee driehoekige 'schilden' (vlakken) aan de smalle zijden en twee trapeziumvormige 'schilden' aan de lange zijden.

Schot
De aanduiding van belasting, gezien vanuit de belastingplichtige, die moet 'schieten' (betalen) aan de landsheer. In de middeleeuwen waren de huislieden (boeren) 'schotplichtig', terwijl welgeboren lieden op het platteland, alsmede poorters, 'schotvrij', d.w.z. vrijgesteld van belasting waren.

Schotgaarder
Belastinginner (inner van schot)

Schout
Middeleeuws gezagsdrager die als vertegenwoordiger van de landsheer (bijv. graaf) belast was met de handhaving van de openbare orde.

Schutterij
Benaming voor verenigingen die sinds de middeleeuwen zorgden voor de verdediging van de stad of plaats.

Slotvoogd
Zie kastelein

Spaarbogen
Bogen die gemetselde kolommen met elkaar verbinden en zo opvullende stenen overbodig maken (uitsparen). Werd onder ander toegepast als een vorm van funderen.

Speklaag
Natuurstenen band in bakstenen metselwerk. Sinds ca. 1450 in gebruik.

Spiegaten
Kijkgaten.

Spijker
Pakhuis of korenschuur.

Stadhouder
Plaatsvervanger van een vorst in het bestuur van een land of streek. Later, in de Republiek der Verenigde Nederlanden, was het de persoon die met de Staten aan het hoofd stond van een provincie.

Stadsrechten
Het recht dat een stad verkreeg om zijn eigen rechtspraak en rechters te hebben. De graven van Holland gaven de steden stadsrechten uit economisch en strategisch belang. Dordrecht kreeg als eerste stadsrechten (1220), daarna gevolgd door Haarlem (1245), Delft (1245), Alkmaar (1254), Leiden (1266), Medemblik (1289) en tenslotte Amsterdam (ca. 1300).
Toch liep Holland niet voorop. Utrecht en Brabant begonnen al eerder met deze belangrijke toekenning.

Staten van Holland
De bestuurders van Holland in de 16e-18e eeuw. De stadhouder was dienaar van de Staten.

Steunbeer
Massieve plaatselijke verzwaring van het muurwerk om deze te versterken. Ook om de zijdelingse druk van op de muur geplaatste gewelven of zware kapbalken (balken voor het dak) te weerstaan. Vooral toegepast in de gotiek.

Stins
Versterkt (edelmans)huis (steenhuis) in (West-)Friesland. In de huidig provincie Friesland worden kastelen ook stinsen genoemd.

Stoke, Melis
Melis Stoke was 'clerc' aan het hof van graaf Floris V en later van graaf Willem III (van Henegouwen). Hij is bekend geworden om zijn Rijmkroniek: een uitgebreide geschreven geschiedenis, op rijm, over het hollandse gravenhuis gedurende de periode 689-1305. Een deel daarvan heeft hij geput uit het Chronicon Egmundanum. Het werk van Stoke wordt in het algemeen als redelijk betrouwbaar geacht. De gedetailleerdheid van de Rijmkroniek heeft een flinke bijdrage geleverd aan de onze huidige kennis van Holland gedurende deze periode.

Straalgewelf
Gewelf, waarvan de ribben naar één punt uitstralen.

T

Tentdak
Dak met vier driehoekige vlakken die in één punt samenkomen.

Thinsgoed
Soort erfpachtgoed.

Tiend
Een evenredig (meestal een tiende) gedeelte van de voortbrengselen van het land (gewassen, vruchten jongen van dieren etc.). Zie ook hieronder: Tiendrecht.

Tiendrecht
Een van oorsprong kerkelijk recht, later een economisch recht. Dit recht bestond er uit om een eigenaar van land, een evenredig deel te heffen (meestal een tiende deel) van de opbrengst van landbouw of visserij, die op dit land werd verkregen. Pas in 1907 werd in Nederland het recht op tienden opgeheven!

Tiendschuur
Grote, meestal stenen schuur voor de oogst- en tiendafdrachten.

Tongewelf
Tunnelvormig (halfcilindrisch) gewelf.

Topgevel
Recht toelopende gevel die over de gehele breedte door een horizontale kroon- of daklijst wordt gedekt.

Traktaat
Verdrag of overeenkomst tussen staten of andere politieke machten.

Trapgevel
Een gevel die trapsgewijs toeloopt tot de top van het dak.

Traptoren
Een toren, die uitsluitend de trap bevat van waaruit men de verschillende aanliggende gebouwen en ruimten kan bereiken.

Travee
Het vlak tussen de bogen in een gewelf, of een vlak in een gevel of wand, dat als een zelfstandige eenheid kan worden opgevat.

Tympaan
Zie ook: fronton. Driehoekig bovenstuk op een gevel, en wel op de horizontale afsluiting van zuilen. De opstaande randen van een tympaan worden begrensd door de randen van het dak.

U

Uitkraging
Metselwerk dat (gewoonlijk met een kwart steen) uitspringt ten opzichte van de laag steen eronder.

Unie van Utrecht
Een verbond dat enkele Nederlandse gewesten sloten op 23 januari 1579, ter verdediging tegen de Spaanse overheersing. Het werd in eerste instantie getekend door Jan van Nassau, Gelre, Holland, Zeeland, Utrecht (en de Ommelanden). Later sloot een deel van Friesland zich aan, Drenthe en een aantal Zuid-Nederlandse steden. Hoewel Willem van Oranje op de achtergrond bleef wist hij hier wel van af. Later werd de Unie beschouwd als grondwet van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

V

Vazal
Leenman. Zie Leenstelsel.

Vorst
Nok van het dak. De plaats waar de schuine vlakken van een dak samenkomen.

Vruchtgebruik
Het recht van de leenman ('ius abutendi') op de opbrengst van de grond van de leenheer. Zie Leenstelsel.

W

Wagenschot
Kwartiers gezaagd eikenhout van fraaie kwaliteit

Wang
De zijkant van een dakvenster, schoorsteen, e.d.

Weergang
Door kantelen beschermde bovenzijde van een weermuur waarover men kon lopen bij de verdediging van een burcht.

Weermuur
Een buitenmuur van een kasteel die is voorzien van een weergang. Ook wel de muur die het binnenplein afsloot.

Wolfdak
Zie zadeldak.

XYZ

Zadeldak
Dak dat is gevormd door twee gelijke hellende vlakken die in een nok samenkomen. Als de nok van een zadeldak niet doorloopt tot de geveleinden, maar met driehoekige 'schilden' (vlakken) is afgewerkt, spreekt men van een wolfdak.

Zegel
(Heraldiek) Voor het bevestigen van overeenkomsten werd op of aan de overeenkomst een herkenningsteken (zegel) van beide partijen geplaatst of bijgevoegd. Een zegel was een herkenningsteken die was gebonden aan een persoon. Het uiterlijk van een zegel veranderde na verloop van tijd. Aanvankelijk was dit zegel voorzien van een portret met handschrift. Daarna ook als ruiterzegel (ruiter te paard met persoonlijke wapentekens), voorzien van een randschrift.


[Naar boven][Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]