Rampspoed in de 16e eeuw

Grote Pier

Het begin van de Tachtigjarige Oorlog en de laatste slotvoogd

(Revisie 12 mei 2015)

De kasteleins (slotvoogden) van het kasteel en gezagsdragers van de stad Medemblik:


De hertog Albrecht van Saksen, die in dienst stond van Maximiliaan van Habsburg, had de opstandige Friezen aan de overkant van de Zuiderzee overwonnen. De bevelhebber van Appingendam, Otto van Diepholt en zijn hopman Cornelis Tunk werden in 1514 in het kasteel van Medemblik gevangen gezet. Echter: een welgevulde buidel zorgde voor Otto's vrijlating.

Op 6 mei 1511 werd Rychaert Matthijsz. tot dijkgraaf gekozen, uit voordracht van drie personen. (Lit. 174)

In 1515 verkreeg Joost van Buren de functie van kastelein en dijkgraaf van de Vier Noorder Koggen, in erfpacht tot 1518. (Lit. 174)

Grote Pier

Grote Pier, Friese legeraanvoerder van de Gelderse troepen
Fantasietekening van Grote Pier, Friese legeraanvoerder van de Gelderse troepen.
(Leeuwarden, Fries Museum)
Grote Pier (Pier Gerlofs Donia); boer uit Kimswerd, werd uiteindelijk piraat die zich allerlei titels toebedeelde: koning van Friesland, hertog van Sneek, graaf van Sloten, vrijheer van Hindelopen en kapitein-generaal van de Zuiderzee. Hij had een enorme haat tegen alles wat Hollands was. Hij bleek het vooral op Medemblik te hebben voorzien, omdat Saksische huurlingen uit Medemblik verschrikkelijk te keer waren gegaan toen zij in 1515 zijn dorp en huis hadden verwoest, en daarbij zijn vrouw en enkele familieleden hadden vermoord. Op 24 juni 1517, op Johannes de Doperdag, voerde hij met 'De Zwarte Hoop', een leger van 4000 Gelderse en Friese soldaten, naar West-Friesland, voorbij Enkhuizen, om in de buurt van Wervershoof aan land te gaan. In een mum van tijd werd Medemblik overrompeld. Velen werden bij deze overval gedood en enkele gevangenen werden later tegen een hoge losprijs vrijgelaten.
Een gedeelte van de inwoners van de stad vluchtten naar het kasteel, waar zij een veilig onderkomen vonden. De slotvoogd Joost van Buren wist de overvallers buiten de poort en de muren van het kasteel te houden.
Omdat het ze niet lukte om het kasteel in te nemen, begon de bende de stad te plunderen, waarna zij de stad in brand staken. Daar de meeste huizen van hout waren, brandde de stad als een fakkel. Kerk, kloosters en raadhuis gingen hierbij verloren, inclusief het stadsarchief.
Nadat het niet lukte om het slot in te nemen trok Grote Pier en zijn bende al plunderend verder in de richting van Alkmaar, alwaar de burchten de Nieuwburg en Middelburg het moesten ontgelden.

Voor een 'historisch' verslag zie het artikel: Grote Pier en de Zwarte Hoop in 1517, Een historisch verslag van moord, plundering en brandstichting

Karel V herroept in 1518 de erfpacht van het dijkgraafschap, aan Joost van Buren verleend, 'wegens slechte begeving'. Benoeming nu rechtstreeks. (Lit. 174)

Gelden voor het opbouw van de kerk in Medemblik

Uit de volgende documenten blijkt dat men vanuit verschillende instanties toestemming werd verkregen om geld in te zamelen om de kerk van Medemblik te herbouwen, die tijdens de aanval van Grote Pier is verwoest (ontleend aan Lit. 176):

1520 (Febr. 7). Philippus van Bourgondië, bisschop van Utrecht, geeft aan de rectoren der afgebrande kerk te Medemblik verlof aalmoezen te verzamelen in Holland, Waterland en Zeeland. Wanneer echter de questierders van den Dom met hun werk bezig zijn, is het aan die van Medemblik verboden. De bisschop geeft 40 dagen aflaat aan allen, die bijdragen schenken. (Origineel charter: Archief van de Dom, nr. 2394, tegenwordig: Utrechts Archief; toegangsnummer 216, Domkapittel Utrecht, inventarisnr. 496-1)

1520 (Juni 15). Keizer Karel V vergunt den kerkmeesters van de St. Maartenskerk te Medemblik, giften in te zamelen tot wederopbouw van deze kerk, welke in den oorlog met de Gelderschen en Friezen verbrand was. (Origineel charter: Archief van de Dom, nr. 2402, tegenwoordig: Utrechts Archief; toegangsnummer 216, Domkapittel Utrecht, inventarisnr. 496-2):

Kaerle, bij der gracie Gods, gekozen Roomschconinck, toecomende keyser, etc ... . saluyt ende dilectie. Wij hebben ontfaen die oitmoedige supplicatie van den kerckmeesters van der armer verbrander kercken van onser stede van Medemblick in onsen lande van Hollant, inhoudende hoe dat omtrent drie jaeren geleden, doen onse voirsz. stede van Medemblick van den Gheldersschen ende Vriesen onsen vianden verbrant ende overloopen was, dieselve kercke die gefondeert is ter eeren van sinte Martin oick geheelyck ende al verbrant ende gedestrueert is geweest alsoe, dat aldaer die glasen veynsteren, kelcken noch ornamenten en zijn gebleven ende de clocken gesmolten ende bedorven, mits denwelcken den goidsdienst aldair achtergelaten werdt te doen, ende hoewel zij supplianten oic sindert ende alnoch groote begheerte hebben, om de voirsz. kercke wederom op te maken om den godsdienst dairinne dagelicx te doene soe men te voeren plach, nyetmin en is hen tselve nyet mogelick, te doene, sonder te hebben de aelmoessen, hulpe, bystant, ende caritate van den goeden kerstenen lieden onsen ondersaten. Oick en souden zij dat nyet willen noch dorren doen, mits den verboden van onsen wegen gedaen aengaende den loop van den questen, sonder te hebben onsen oirlof ende consent in desen, dus omme deselve zeer oitmoedelick biddende. Soe eyst, dat wij de saken voirscreven overgemerct, begheerende de restauratie van der voirsz. kercken ende donderhoudt van den godsdienste ten eynde dat wij deelachtich mogen werden der gebeden ende duechdelyke wercken die in derselver kercken gedaen sullen werden, denselven supplianten genegen wesende tot huerer bede ende supplicatien, hebben geoctroyert, geconsenteert ende geaccordeert, octroyeren, consenteren ende accorderen, hen gevende oirlof vuyt zonderlinge gratien ende by desen onsen tegenwoirdigen brieve, dat nyettegenstaende den offensen ende verboden voirscreven zij, oft huere procureurs, facteurs, oft boden ende een yegelyck van hen van nu voirtan duerende den tyt ende termijn van seven jaire naistcomende te rekenen van op huden date van desen onsen brieve, sullen mogen gaen ende converseren over al onsen landen ende heerlicheden, om te doen huere queste ende te vermanen den goeden luyden te doene huere aelmoessen, bystant ende caritate. Exhorteren, bidden ende versoucken daeromme an u ende een yegelycke van u, dat ghij hueren procureurs, facteurs oft boden, als zij by u kommen ende addresseren sullen te desen fyne ende bringende desen tegenwoirdigen brief, vidimus oft copie auctentyck dairaf, hen deelen wilt uwe aelmoessen, ende doen uwe caritate van den goeden die u God heeft gegeven ende verleent, een yegelyck van u naer zijn devotie ende faculteyt, doende commutacie ende veranderinge van uwen weerlycken ende verganckeliken goeden in een tresoir des eeuwichs goets in der onverganckelyker glorien. Ende bevelen ende lasten u onsen officiers ende ondersaten, dat ghij den procureurs, facteurs ende boden van den voirsz, supplianten, dewelcke wy mitgaders hueren goede, gout, silver, ende allen anderen dingen genomen ende gestelt hebben, nemen ende stellen bij desen in onsen protectien, beschermenissen ende sauvegarde hen ende een yegelyck van hen, doet ende laet paisivelick gaen, commen ende blyven in allen onsen voirsz. landen, aldair sy sullen hebben te besoingneren, om te doen huere queste den voirsz. tijt geduerende, ende doet hen alle soetichede, faveur ende gonst u doenlick wesende. Dese teghewoirdige brieven naer djair gheexpireert zynde nyet meer doghende. Ghegeven in onser stadt van Bruessel den vyftiensten dach van Junii int jair ons Heeren duysent vyfhondert ende twintich ende van onsen rycken te weten van den Romsschen teerste ende van Castillen etc. tvijfste.

Bij den Conynck in synen raede.

(Transcriptie door Keldermans, oorspronkelijk manuscript (21x57 cm) bevatte 21 regels)

1521 (Febr. 7). Bisschop Philippus van Bourgondië geeft aan de questierders der afgebrande kerk te Medeniblik verlof aalmoezen in te zamelen in Holland, Braband, Zeeland, Vlaanderen, Friesland, Gelderland en in de geheele diocese 't.Sticht. (Origineel charter: Archief van de Dom, nr. 2408, tegenwoordig: Utrechts Archief; toegangsnummer 216, Domkapittel Utrecht, inventarisnr. 496-3)

1521 (Mei 29). Burgemeesters, kerkmeesters, schepenen en raden van Medemblik machtigen Alexander Clerck om als commissarius van de verbrande kerk aalmoezen te vragen in alle landen van de Kon. Majest. en in het Sticht. (Origineel charter: Archief van de Dom, nr. 2410, tegenwoordig: Utrechts Archief; toegangsnummer 216, Domkapittel Utrecht, inventarisnr. 496-4)

Inventarys 1554

In het Noord-Hollands Archief ligt een document uit 1554, dat feitelijk een inventarisbeschrijving van het kasteel van Medemblik is, dat tijdens de kasteleinschap van Cornelis van Rijswijk is opgesteld. Dit document is getiteld 'Medemblyck geinventarieert in Julio LIIII'.
Dit geweldige manuscript, dat op de vooravond van de tachtigjarige oorlog (1568-1548) is geschreven, korten we voor het gemak af tot 'Inventarys'. Dit document is feitelijk een kopie-afschrift met veel interessante informatie met betrekking tot de geschiedenis van het kasteel. Naast een inventaris van meubilair, wapens en munitie, lezen we eveneens de naamgeving en functionaliteit van de diverse ruimten en torens van het kasteel. Over de dit document is een aparte pagina op deze website opgenomen.

Stadsbrand 1555

In 1555 had Medemblik wederom te lijden door een enorme stadsbrand.

Een gedeelte van de inwoners van de stad vluchtten naar het kasteel. De slotvoogd wist de overvallers buiten de poort en de muren van het kasteel te houden.
(Tekening: Jantine Leeflang, 2000)
In de middeleeuwen, en ook daarna, waren de meeste huizen in Noord-Holland grotendeels van hout. De slappe veenbodem was niet geschikt voor zwaardere steenbouw. Deze anonieme afbeelding toont de grote brand in De Rijp van 1654. Het geeft een idee in welke mate de brand in Medemblik, in 1517, woedde.
(De Rijp, Museum In 't Houten Huis)

In 1556 ontheft Filips II de stad Medemblik 2/3 van het aandeel in de beden gedurende een periode van 10 jaar. Dit vanwege de kosten van herstel van de afgebrande kerk. (Lit. 92)

Tachtigjarige oorlog

Tijdens Vastenavond in 1568 komt Cornelis van Rijswijk, 'Casteleyn' van Medemblik in commissie van Alva te Hoorn om ketters te vangen, doch vindt de vogels gevlogen (ontleend aan Lit. 102).

De sterkte van het slot van Medemblik werd in 1572 weer op de proef gesteld, doordat twee compagnieën geuzen en twee compagnieën prinsgezinde troepen uit Enkhuizen, onder leiding van Nicolaas Ruychaver en Jacob Cabeliau, zonder veel moeite de stad veroverden. Vervolgens trokken ze op naar het kasteel. De kastelein, Cornelis van Rijswijk, was trouw gebleven aan Filips II en dacht de aanval wel met de schutters uit de stad te kunnen weerstaan.
Als antwoord hierop dreven de geuzen vrouwen en kinderen als een levend schild voor de aanvallende troepen uit, en met succes. Doordat de belegerden in het kasteel niets konden uitrichten om dat hun familie de voorhoede vormde van de troepen, viel het kasteel zonder slag of stoot. De slotvoogd werd daarna ervan overtuigd dat het beter zou zijn om de zijde van Oranje te kiezen.

Anonieme tekening van de stad Medemblik tijdens de belegering van Maurits
Anonieme tekening, ca. 1600), uitsnede: 'Beleghering der stadt Medenblick----Anno 1588'. De stad Medemblik tijdens de belegering van Maurits. Op de kaart is de gehele omsingelde stad te zien.
(Amsterdam, Rijksmuseum, obj. nr.: RP-T-00-3602). Zie deze prent op de website van het : Rijksmuseum, Amsterdam
)
Nadat Cornelis van Rijswijk gestorven was, werd hij in 1587 opgevolgd door Diederik van Sonoy: een de calvinistisch medestander van de graaf van Leicester, aan wie hij de eed van trouw aflegde. Nadat de graaf van Leicester, zonder zijn bestuurlijke bevoegdheden af te staan, in 1587 naar Engeland terugkeerde weigerde Sonoy de eed van trouw aan stadhouder Maurits af te leggen.

Sonoy werd naar Overijssel gestuurd, waarna men onder Johan van Oldebarnevelt het kasteel probeerde in te nemen. Hetgeen mislukte. Bij terugkeer van de graaf van Leicester in hetzelfde jaar, werd hij groots in Medemblik onthaald. In hetzelfde jaar nog, werd de graaf opnieuw naar Engeland teruggeroepen, terwijl Sonoy hem trouw bleef. De Raad van State probeerde door middel van een bemiddelingspoging Sonoy op andere gedachten te brengen. Dit mocht niet baten. Reden genoeg voor Maurits om op 27 februari 1588 de stad Medemblik en het kasteel te belegeren. Dit beleg duurde zeven weken, waarna Sonoy op 29 april 1588 tot overgave werde gedwongen.

Toen gebeurde het onvermijdelijke; de graaf van Leicester deed afstand van zijn landvoogdschap in de Nederlanden, zodat Sonoy ontslagen werd van zijn eed. Omdat men vond dat Sonoy niet onrechtmatig had gehandeld, mocht Diederik van Sonoy slotvoogd blijven.

Toch waren de Medemblikkers kwaad, ze zagen de capitulatie voor prins Maurits als een nederlaag. Sonoy werd vaak bedreigd en zelfs gemolesteerd, zodat hij genoodzaakt was om aan Maurits bescherming te vragen. In 1593 kreeg Diederik eervol ontslag uit staatsdienst met een pensioen van 1000 gulden per jaar. Hij trok zich terug op een kasteel in Groningen, waar hij in 1597 stierf....

Sonoy werd opgevolgd door jonkheer Hartog van Rijswijk, zoon van Cornelis Rijswijk. Deze vertrok in 1606, nadat de slotvoogdij werd opgeheven.

Het kasteel in Medemblik, nog in volle omvang. Fragment van de kaart rechtsboven.Het kasteel te Medemblik. Fragment van een kaart van Paulus Utenwael 1599
Fragment van de kaart hierboven. Waarschijnlijk de enige bewaarde afbeelding, waarop het kasteel van Medemblik in volle omvang is te zien (de tekenaar toont de situatie van 1588). Opvallend is de hoge toren met spits, de forse hoofdpoort en de lage weermuur aan de noordzijde van het kasteel.
(Amsterdam, Rijksmuseum, obj. nr.: RP-T-00-3602). Zie deze prent op de website van het : Rijksmuseum, Amsterdam
Het kasteel te Medemblik. Fragment van een kaart van Paulus Utenwael 1599. Het toont de situatie na de ontmanteling. De noordelijke twee torens en de weermuur (op de bovenstaande prominent aanwezig) zijn afgebroken.
(Hoorn, West-Fries Museum)

Een kanonskogel die tijdens baggerwerkzaamheden uit de slotgracht van het kasteel van Medemblik is opgevist. Het is aannemelijk dat deze uit de tijd dateert toen het kasteel nog een militaire functie had. Het laatste wapenfeit is hierboven beschreven en was in 1588.
(Foto: Bernd Ooijevaar)

Omdat men al 1573 overging tot het verbeteren en verhogen van de stadswallen, verloor het kasteel zijn functie als verdedigingswerk. Op 5 december 1578 werd door de Staten van Holland het besluit genomen om het kasteel te ontmantelen. Hiervoor werden de noordelijke muren en torens, mogelijk ten tijde van Sonoy gesloopt. Dit gebeurde in ieder geval na 1588.*)
In ieder geval ging de sloop van de noordelijke muren en torens (de zijde van het slot, die naar de stad was toegekeerd) gepaard met veel baldadigheid en verwaarlozing, waarbij zowel Sonoy als van Rijswijk verantwoordelijk werden gesteld. In een verzoekschrift, waarop de Staten van Holland in 1608 met een beschikking kwam, beklaagden de burgemeesters zich over de sloop en de gevolgen van de leegstand na 1606:

"...tumultuoselijck te samen lopende eenige toorens ende middelmuyren van [het kasteel] responderende opte stadt, omver te halen, zoodat het slot sedert niet anders was, dan een open huizinge sonder enige sterkte.."

"..dat het gebouw bijna twee jaren lang leeg en onbewoond staat. Dat in dien tijd, zoo door onweder als bij geboufte, groote schade daer aen gedaen is, in glasen vensters, deuren, aen den dack ende andersints, ende meerder een oude ruyne dan een bequame woninge gelijck is, jae geschapen geheellijcken ter vervallen. Immers sal sonder groote costen nyet weder bequaem gemaect connen werden, omme eerlijck te bewonen, nyet tegenstaande binnen drie jaren omtrent acht hondert guldens, op eene tijt teffens, daer aen te costen geleyt sijn geweest. Ende consideren
[burgemeesters] indient vergaet, dattet jammer soude sijn alsoo t'een antiquiteyt ofte oudt huys is.."

In 1598 werden enige herstelwerkzaamheden verricht onder leiding van Gelle Adriaens Wijnes, dijkgraaf van de Vier Noorder Koggen. Hij gaf 122 pond, 1 schelling en 9 penningen uit aan de herstellingen in de functie van 'fabrieksmeester van des grafelijkheids huis te Medemblik'.

*)Opmerking auteur:
Hier kom ik een aantal tegenstrijdigheden tegen. In de meeste literatuur wordt vermeld, dat de ontmanteling in 1578 plaatsvond. Sonoy en van Rijswijk hadden niets met de ontmanteling van doen, maar wel met de leegstand en de verwaarlozing ten gevolge daarvan. De auteur houdt zich aan het volgende: toestemming voor de ontmanteling in 1578. Daadwerkelijke ontmanteling ergens tussen 1588 en 1599, gevolgd door tumult en sloop, na leegstand in 1606 (zie volgende pagina: Kasteel van Medemblik in de 17e eeuw).


Geraadpleegde bronnen en literatuur:
(Lit. 3, D. Kransberg, H. Mils)
(Lit. 20, S.B.J. Zilverberg)
(Lit. 33b, H. Schoorl)
(Lit. 47, G. Ros-de Korte)
(Lit. 92, C.J. Gonnet/Inventarise West-Fries Archief)
(Lit. 102, Th. Velius)
(Lit. 174, G. de Vries Az)
(Lit. 176, A. Eekhof)

[Naar boven]         [Vorige][Kaart][Volgende] [Home]
(Onderstaande link breekt aktieve frames!)
[Huidige pagina]