
![]() | ![]() |
| Twee keer een fantasievoorstelling van koning Radboud der Friezen. Links een ingekleurde gravure uit Pier Winsemius, Chronique ofte Historische geschiedenisse van Vrieslant (1662). Rechts een deel van een schilderij dat zich het voormalig stadhuis van Medemblik bevond, van een 17e-eeuwse(?) anonieme schilder. | |
Voor meer informatie over de legenden rond Radboud en Medemblik, verwijs ik naar het artikel: Legenden en mythen omtrent het Medemblikker slot.
![]() |
| Emperor Otto III (983-1002) (München, Bayerische Staatsbibliothek, Clm 4453, fol.24r) |
![]() |
| Een anonieme zilveren penning of denier uit de 12e eeuw. Dit is één van de 1200 munten die in 1892 zijn gevonden in de terp Avendorp te Schagen. De munt toont een kop van een bisschop. De muntjes zijn mogelijk in West-Friesland vervaardigd, daarbij is het aannemelijk dat ze in Medemblik zijn geslagen.
(Den Haag, Koninklijk Penningkabinet. Foto: Kees Jansen) |
![]() |
| Een denier met de beeltenis van Floris V, geslagen door de munt te Medemblik. Links (voorzijde) staat: F. COMES OLLANDIE (Floris, Graaf van Holland). Rechts (keerzijde): MONE MEDENBLEC (munt van Medemblik) (Tekening: Jantine Leeflang, 2000) |
Kortom, het bezit van een 'tolhuis' en een 'munt', maakt het aannemelijk dat in de 10e eeuw een versterkt huis (fortificatie, burcht of stins) aanwezig was. Zowel de munt als het tolhuis, zullen zeker niet onbeschermd zijn geweest. Het is dan de vraag, waar al deze gebouwen hebben gestaan. Met name de plaats van een versterkt huis zou interessant zijn, omdat men daarbij natuurlijk, in de eerste plaats denkt aan een ouder kasteel, op de plaats van het huidige. Helaas heeft er nooit archeologisch onderzoek van het kasteelterrein plaatsgevonden, zodat hiervan niets aan het licht gebracht (noot 2).
Circa 130 jaar later is de kerk van Medemblik door de bisschop van Utrecht geschonken aan het kapittel van Sint Maarten te Utrecht (1118). Dit kapittel bezat in de 9e eeuw ook al een koninklijke tiend en landbezit in Medemblik en het (daarbij gelegen?) Frieswijk.
In de 13e eeuw, tijdens zijn strijd tegen de West-Friezen (Zie voor meer achtergrondinformatie, het artikel Rebellie, bloed en bakstenen), gaf de Hollandse graaf Floris V (1254-1296), het strategisch belang van Medemblik de hoogste prioriteit. Na de zijn overwinning bouwde hij zijn dwangburchten, waaronder het kasteel van Medemblik, met als doel de West-Friezen onder de duim te houden en zo zijn overwinning kracht bij te zetten.
Hofdichter en geschiedschrijver van Floris V, Melis Stoke, memoreert deze gebeurtenissen in zijn Rijmkroniek van Holland: eerst bouwde Floris V het slot te
Wijdenes
en daarna het kasteel in Medemblik (Stoke boek IV vs. 537 e.v.)
Vanwege mogelijke West-Friese aanvallen, zoals tijdens de bouw van het kasteel van Wijdenes, werd ter bescherming van het nieuwe bouwobject en werkvolk, door het grafelijke leger een oogje in het zeil gehouden. Men was gelegerd op Melorde, blijkbaar een strategische plaats, niet ver van Medemblik gelegen (noot 3). Desondanks deze maatregelen ondervond de bouw, in tegenstelling met de bouw van het kasteel in Wijdenes, nauwelijks hinder.
Ook zijn er ook nog drie burchten vanaf Alkmaar naar het noorden neergezet: de Middelburg, de Nieuwburg en de Nuwendoorn aan de monding van de veenrivier de Rekere.
![]() |
| Reconstructietekening van het kasteel te Medemblik in de 13e eeuw. Of de noordelijke en zuidelijke toren (links) een spits hebben gehad, is nog maar de vraag. Men neemt aan dat de weermuren en woonvleugel een stuk lager waren dan tegenwoordig. De vierkante bastions zijn later tot vierkante torens herbouwd. (Tekening: Ben Dijkhuis). Meer.... |
Er is dus een tijd geweest dat Medemblik de belangrijkste plaats in de huidige provincie Noord-Holland was, en die eer werd gedeeld met Muiden. Graaf Floris V gaf Medemblik in 1289 stadsrechten.
Na de moord op Floris V in 1296 en aangezet door de bisschop van Utrecht, Willem van Mechelen, kwam een groot deel van de bevolking van Holland in opstand, waaronder de West-Friezen.
![]() |
| Afbeelding van de ruiterzegel van Floris V met het wapen van het Holland: S'FLORENCII:COMITIS:HOLLANDIE:*. De betreffende zegel hangt aan een oorkonde van 13 oktober 1285. |
De oude rechtspraak van de Friezen (asega) werd vervangen, door die van de Hollanders. Voor lichte vergrijpen werd het gerecht van schepenen ingevoerd, ter vervanging van het Fries burengerecht. Doch de rechtspraak voor zware vergrijpen, werd de dorpen ontnomen en ondergebracht bij de baljuwschappen. Hierin speelde het kasteel van Medemblik een belangrijke rol. Door de grafelijkheid werden twee baljuwschappen in de heerlijkheid West-Friesland ingesteld. Het Oosterbaljuwschap beheerste de ambachten Houtwouder- en Drechtingerambacht, het Westerbaljuwschap de Niedorperambacht en Geestmannerambacht (noot 4). De baljuw van de Oosterbaljuwschap had zijn zetel in het kasteel van Medemblik, doch Medemblik zelf stond niet onder zijn jurisdictie, omdat deze reeds als enige stad in West-Friesland sinds 1289 stadsrechten had en daarmee zijn eigen rechtspraak. De eerste baljuw van Medemblik (1297) werd de reeds eerder genoemde Floris Wouterz. van Egmond.
![]() |
|
||||||||||||||
| Eind 13e eeuw was West-Friesland bestuurlijk opgedeeld in vier 'ambachten'; resp. Drechtingerambacht (Drechterland), Houtwouderambacht (Hoogwouderambacht), Niedorperambacht en Geestmannerambacht (Geestmerambacht). Iedere ambacht was weer onderverdeeld in koggen. Een kogge was een gebied van minimaal vier dorpen, die ondermeer samenwerkten in waterbeheersing en dijkaanleg. (Tekening: Ben Dijkhuis) |
|||||||||||||||
1. Van der Bergh meldt in zijn 'Handboek der Middel-Nederlandse Geographie', dat Ansfried uit zijn bezittingen van Medemblik, de inkomsten afdroeg aan de abdij van Thorn, die daarvan nog in 1292 de bevestiging verkreeg. In 1118 schonk de Utrechtse bisschop Godebald de kerk te Medemblec in West-Friesland, die tot de bischoppelijke kamer behoorde aan de broeders (kanunniken?) van St. Maarten. (Lit. 143 L.Ph.C. van den Bergh)
2. Tijdens de restauratiewerkzaamheden gedurende de 60-er jaren van de vorige eeuw, wees de Rijksgebouwendienst een verzoek hiertoe door de Rijksdienst voor Bodemonderzoek van de hand.
3. Over een plaats met de naam Melorde (Meloerde, Meloorde, Meeloirde) is nagenoeg niets bekend. Er is hier en daar wel gespeculeerd over mogelijkheid, dat het hier om een strategische plaats gaat, dat uiteindelijk door de Zuiderzee is verzwolgen. Een andere optie, is de veronderstelling dat de Melorde een water in West-Friesland, in de buurt van Medemblik, zou zijn. Ten Have meldt (Lit. 110 J.J. ten Have) dat de vloot van Floris V te Meloorde; een rede ten noordwesten van Medemblik bleef liggen. Hij citeert hierbij uit een kroniek uit ca. 1350:
"..So woude hi ymmer dat huys te Medemblic volmaect hebben ende ginc daer om met een heer leggen vp Meeloirde, tertijt tot dattet huys volmaect was.."
Het is niet onmogelijk dat de exacte plaats van Melorde, door ten Have van een kaart Menso Alting (1710), is verkregen. Op deze kaart staat duidelijk de naam Meloerde genoteerd. Iets ten noord-westen van Medemblik. Hoe Alting aan zijn bevindingen komt is volstrekt onduidelijk. Nu is het wel bekend dat ten noorden van Medemblik land was, dat omstreeks 1509 werd buitengedijkt. Op één van de oudste kaarten van West-Friesland (ca. 1530), alsmede op een kaart van Medemblik door Jacob van Deventer, staan nog een paar eilandjes ingetekend, wellicht is één daarvan Melorde. (Met dank aan Bernd Ooijevaar).
![]() |
![]() | ![]() |
| Een fragment uit de gereconstrueerde kaart van Menso Alting uit 1710, waarop Meloerde staat aangegeven. (Lit. 15 M. Hameleers, p. 48-49) |
Een fragment van een kaart, getiteld 'Waeterland' uit ca. 1529, 1530 toegeschreven aan Willem Hendrickz Croock Waterlands archief KA00235 NA collectie Hingman nr. VTH 2461 | Een fragment een kaart van Jacob van Deventer (1510-1575), gedrukt door J.Smulders, Den Haag. |
4. De nieuwere benamingen van deze ambachten, die voornamelijk waren ingesteld voor de waterhuishouding in het gebied, werden resp. Vier Noorder Koggen, Drechterland, Schager- en Nieuwdorper Kogge en Geestmerambacht.
Geraadpleegde literatuur en bonnen:
(Lit.1, P.S. Teeling, H. Langereis)
(Lit. 5, J.W. Groesbeek)
(Lit. 11, P. E. van Rijen)
(Lit. 12, R.P. de Graaf)
(Lit. 13, F. Diederik)
(Lit.14, H. Lambooij)
(Lit. 15 M. Hameleers)
(Lit. 19, P. Noordeloos)
(Lit. 21, W.F.G. Wiese)
(Lit. 33a, W.F.M. Brieffies)
(Lit. 43, W.G. Brill)
(Lit. 47, G. Ros-de Korte)
(Lit. 59, J. de Bruin)
(Lit. 91, West-Fries Archief/Bernd Ooijevaar 2006)
(Lit. 93 A.C.F. Koch)
(Lit. 94 B. van Beek, H. Jacobi, M. Scharloo)
(Lit. 110 J.J. ten Have)
(Lit. 143 L.Ph.C. van den Bergh)